Wat te voorspellen viel, is uitgekomen: de Ieren hebben het Verdrag van Lissabon goedgekeurd. Bij de meerderheid van de kiezers die tijdens het eerste referendum ’neen’ stemden, leefde het begrijpelijke gevoel dat het officiële Europa toch nooit rekening zou houden met hun democratisch oordeel indien dat niet in haar kraam past. Veel van die kiezers bleven dus thuis, nadat ze met hun neus op het feit zijn gedrukt dat de Europese besluitvorming maar in één richting werkt.
Er was geen eerlijke campagne. De federalisten hebben het spel smerig gespeeld. De Europese Commissie mengde zich op illegale wijze in de campagne, op kosten van de belastingbetalers.
Meer dan ooit tevoren werden de kiezers bang gemaakt. De economische crisis werd als hefboom gebruikt om de mensen tot een ja-stem te bewegen, ook al heeft die crisis volstrekt niets te maken met het institutionele vraagstuk waarover dit referendum ging.
De euforie - bijvoorbeeld Verhofstadt en Dehaene (de Janssen en Janssens van het euro-extremisme) die in een Ierse pub in Brussel Guinness zaten te drinken - zal van korte duur zijn. Men kan de mensen niet blijven wijsmaken dat ’Europa’ de toveroplossing is voor alle problemen.
De Standaard ergerde zich erover dat 500 miljoen Europeanen ’gegijzeld’ werden door 3 miljoen Ieren, omdat de Ieren in tegenstelling tot de andere Europeanen het recht kregen zich uit te spreken over Lissabon. Dat men dan in alle lidstaten een referendum houdt...
In de toekomst wordt Europa niet door drie miljoen Ieren gegijzeld, maar door 27 niet-verkozen Europese Commissarissen, 27 regeringsleiders en een niet-verkozen president.
Tenzij. Tenzij het Grondwettelijke Hof in Tsjechië bezwaar maakt tegen de ratificatie van het Verdrag. Of tenzij er in Groot-Brittannië op tijd een regeringswissel komt, de Conservatieven hun belofte nakomen en ook een referendum organiseren over Lissabon. De strijd is dus nog niet (helemaal) gestreden.